Impressionisme & Picturalisme

“Vanaf heden is de schilderkunst dood!” Met dit citaat begon ik afgelopen zaterdag mijn lezing in De Hermitage in Amsterdam bij de tentoonstelling Impressionisme: sensatie & inspiratie (t/m 13 januari 2013 te zien). De Franse schilder Paul Delaroche zou het hebben geroepen, toen hij in 1839 voor het eerst met een foto werd geconfronteerd. Maar dat is vrijwel zeker een apocrief verhaal, dat nog altijd graag wordt aangehaald omdat het zo treffend de verbazing illustreert die de uitvinding van de fotografie destijds opriep. Paul Delaroche omarmde juist de fotografie! In een aanbeveling voor de Franse staat schreef hij: “Met deze techniek heeft de schilder een snelle methode tot zijn beschikking om een studiecollectie op te bouwen, wat anders veel tijd en moeite zou kosten, en nooit zo perfect zou zijn.”

Aan de hand van schilderijen in de tentoonstelling liet ik de wisselwerking tussen fotografie en schilderkunst zien, en vertelde o.a. over:

  • Vincent van Gogh en zijn gebruik van fotografische reproducties van zijn favoriete schilderijen (Millet, Rembrandt);
  • De samenwerking tussen schilder Eugène Delacroix en fotograaf Eugène Durieu, die naaktmodellen in verschillende houdingen fotografeerde, als studiemateriaal en inspiratiebron voor Delacroix’s schetsen en schilderijen;
  • De fotocollectie van de klassieke schilder Jean-Léon Gérôme, die zich voor zijn schilderijen altijd nauwgezet documenteerde en daarbij ook foto’s gebruikte, een feit waarover hij beslist niet geheimzinnig deed (hij was dan ook een leerling van Paul Delaroche);
  • De beroemde portretstudio van Nadar (Félix Tournachon) in Parijs, waar componisten, schrijvers, dichters en schilders, onder wie Delacroix, Manet en Millet, elkaar ontmoetten en zich als ware bohémiens lieten portretteren. De studio van Nadar was bovendien de plek waar de impressionisten in 1874 hun eerste tentoonstelling hielden!
  • De verwantschap tussen de impressionisten en de fotografen, die elk de vluchtige momenten in de werkelijkheid probeerden vast te leggen en zich lieten inspireren door het spontane ogenblik en het verstrijken van de tijd en het licht;
  • De Britse fotopionier William Henry Fox Talbot, die al rond 1845 de unieke eigenschappen van de fotografie, ten opzichte van andere kunstvormen, in beeld en geschrift naar voren bracht, en met zijn oog voor subtiele veranderingen in lichtval en atmosfeer een fotografische voorganger van de impressionisten was;
  • Gustave Le Gray, waarschijnlijk de meest invloedrijke en meest talentvolle Franse fotograaf van de 19de eeuw, die met veel succes door Frankrijk trok om er imposante landschappen en zeegezichten vast te leggen. Hij leidde vele Franse fotografen op en inspireerde schilders als Gustave Courbet. Zelf liet hij zich inspireren door zijn schilderende collega’s van de School van Barbizon wiens spoor hij naar de bossen van Fontainebleau volgde;
  • Henri Le Secq – net als Le Gray opgeleid als schilder in het atelier van Delaroche – wiens serie foto’s van Franse kathedralen doorschemeren in de beroemde schilderijen die Claude Monet van de kathedraal van Rouen maakte.
  • De ‘fotografische blik’, terug te zien in de krioelende stadsgezichten van Camille Pissaro, waarvoor de populaire ‘Vues instantanées’ (momentopnamen van de stad) model stonden. Én in de typische, abrupte fotografische uitsnede van de werkelijkheid die Edgar Dégas in zijn schilderijen toepaste, waardoor de realiteit buiten de rand van het schilderij lijkt door te lopen.
  • Degas ook, omdat die veel heeft geschetst naar Eadweard Muybridge’s fotosequenties van galopperende paarden en dansende mensen, en bovendien zelf ook fotografeerde.
  • Het Picturalisme aan het eind van de 19de eeuw, een internationale stroming in de fotografie die, voor het eerst sinds de uitvinding van het medium, de fotografie nadrukkelijk als zelfstandige kunstvorm propageerde en zich in stilistisch opzicht liet leiden door de schilderkunstige traditie (inclusief het gebruik van kwasten en verf in de doka).
  • En tot slot: de komst van de 20ste eeuw waarin kunstenaars nieuwe vormen van expressie zoeken die niet meer slaafs de werkelijkheid volgen (denk bijvoorbeeld aan Picasso) en fotografen die de ‘moderne’ en zakelijke weg op gaan.

Mijn verhaal eindigde met de conclusie dat de schilderkunst in 1839 beslist niet dood ging, maar juist bevrijd werd. Bevrijd van de noodzaak om de werkelijkheid natuurgetrouw te verbeelden. Ook de fotografie werd ‘bevrijd’, namelijk van de idee dat de fotografie in vorm, stijl en onderwerpskeuze de schilderkunst moest volgen om als kunstvorm serieus genomen te kunnen worden.

De allerlaatste dia liet zien hoe die fotografische ontwikkeling prachtig te volgen is in de manier waarop de Amerikaanse fotograaf Edward Steichen zichzelf in 1902, 1918 en 1929 portretteerde. Als picturalist portretteerde hij zichzelf als schilder, inclusief palet en kwast. Terwijl hij voor zijn zelfportret in 1929, toen hij een wereldberoemde modefotograaf was, standpunt, pose en belichting dynamisch toepaste.

This entry was posted in Presentaties and tagged , , , , . Bookmark the permalink.